Voordelen alle aard beperkt tot 20% - einde aan een onbeperkte brutoloonruil?

In het kader van de hervorming van de personenbelasting heeft de federale regering een aantal aanpassingen aangebracht aan het Wetboek van de Inkomstenbelastingen. Deze aanpassingen werden gepubliceerd in het Staatsblad van 29 juli 2026.
Een volledig nieuwe maatregel beoogt het gebruik van forfaitaire voordelen van alle aard te beperken en kan daarom een belangrijke impact hebben op de verloningspolitiek van een onderneming.
Meer cashloon, minder voordelen van alle aard
De regering stelde vast dat steeds meer verloningspakketten bestaan uit een combinatie van een beperkt brutoloon en een aanzienlijk pakket aan voordelen van alle aard, vaak in combinatie met een cafetariaplan. Om de verloning opnieuw sterker te richten op loon in geld, wil de wetgever de zogenaamde brutoloonruil beperken. Zo mogen forfaitair gewaardeerde voordelen van alle aard voortaan maximaal 20% van de belastbare bezoldigingen vertegenwoordigen om aan bepaalde sancties te ontkomen.
Hoe wordt de 20%-grens berekend?
De berekening gebeurt niet individueel, maar op collectief niveau, afzonderlijk voor werknemers en bedrijfsleiders. De voordelen van de ene categorie worden dus niet samengeteld met die van de andere categorie.
Werknemers
De totale forfaitair gewaardeerde voordelen van alle werknemers worden vergeleken met de totale belastbare bezoldigingen vermeld op de fiches 281.10.
Bedrijfsleiders
Voor bedrijfsleiders wordt een afzonderlijke berekening gemaakt op basis van de fiches 281.20.
Welke voordelen?
De maatregel richt zich specifiek op voordelen die forfaitair worden gewaardeerd.
Vrijgestelde sociale voordelen, zoals een hospitalisatieverzekering en geschenkcheques, worden niet opgenomen in de berekening. Ook voordelen die worden belast op basis van de werkelijke waarde of werkelijke uitgaven, worden niet geviseerd.
Concreet gaat het dus om de volgende voordelen:
- bedrijfswagens;
- aandelenopties indien forfaitair belast volgens de wet van 26 maart 1999;
- internetabonnement;
- laptop;
- smartphone;
- kosteloze huisvesting;
- verwarming en elektriciteit indien gecombineerd met kosteloze huisvesting;
- sociale maaltijden;
- gratis of goedkope lening.
Warrants worden in principe belast tegen de werkelijke waarde en worden dus niet geviseerd door deze maatregel. Ze komen bijgevolg niet in de ‘teller’ van de forfaitaire voordelen, maar wel in de ‘noemer’ van de belastbare bezoldigingen om na te gaan of de 20%-norm al dan niet wordt overschreden.
Niettegenstaande het voorgaande moet nog rekening worden gehouden met eerdere beperkingen voor warrants. Op basis van standpunten van de RSZ en de rulingcommissie dient het bedrag aan warrants beperkt te worden tot 20% van de totale brutoverloning, inclusief de warrants.
Wat is het gevolg als de grens wordt overschreden?
Werknemers: afzonderlijke heffing van 7,5%
Wanneer de forfaitaire voordelen meer bedragen dan 20% van de totale werknemersbezoldigingen, wordt op het overschrijdende gedeelte een afzonderlijke heffing van 7,5% toegepast. Deze heffing komt ten laste van de vennootschap-werkgever en is niet fiscaal aftrekbaar. Ze vormt dus een verworpen uitgave.
Bedrijfsleiders: verlies van het verlaagd tarief
Indien de grens van 20% wordt overschreden, verliest de vennootschap het recht op het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting, zelfs wanneer aan alle andere voorwaarden is voldaan. Aangezien het verlaagd tarief bestaat uit de toepassing van een tarief van 20% in plaats van 25% op de eerste schijf van € 100.000 aan belastbare winst, bedraagt de sanctie bij niet-naleving van deze nieuwe maatregel maximaal € 5.000.
Voor ondernemingen die geen gebruik maken van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting en waarbij de overschrijding van de 20%-grens zich enkel voordoet in de categorie van de bedrijfsleiders, is er geen andere sanctie voorzien.
Minimale bedrijfsleidersbezoldiging stijgt
De minimale bedrijfsleidersbezoldiging om toegang te behouden tot het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting stijgt van € 45.000 naar € 50.000, indien de financiële resultaten van de onderneming een dergelijke bezoldiging toelaten. Daarnaast wordt voor het eerst voorzien in een jaarlijkse indexering, zodat de minimumbezoldiging mee zal moeten evolueren met de inflatie. Voor het aanslagjaar 2027 bedraagt het nieuw geïndexeerd minimum € 51.000.
Deze jaarlijkse verhoging van de bezoldiging heeft dan weer een gunstig effect op de forfaitaire voordelen van alle aard die kunnen worden toegekend.
Wat betekent dit voor uw onderneming?
Ondernemingen die voordelen van alle aard aanbieden met een hoge forfaitaire waarde, zullen hun verloningsbeleid moeten analyseren en mogelijk herevalueren. De nieuwe maatregelen zijn van toepassing op bezoldigingen toegekend vanaf 1 januari 2026.
In deze context raden wij aan om:
- de verhouding tussen cashloon en forfaitaire voordelen van alle aard in kaart te brengen en na te gaan of de 20%-grens wordt gerespecteerd;
- bij overschrijding de kostenimpact te berekenen en na te gaan of een aanpassing gewenst is;
- bestaande loonoptimalisaties jaarlijks te herevalueren;
- bij kleinere ondernemingen en managementvennootschappen ook de verloning van bedrijfsleiders te toetsen aan de nieuwe minimumbezoldiging van € 50.000.
ORBISS kan u hier uiteraard mee helpen. Op basis van een loonlastenattest kunnen wij al bepaalde risico’s op dit moment inschatten.
Schematisch overzicht
| Overschrijding 20%-grens werknemers | Geen overschrijding 20%-grens werknemers | |
| Overschrijding 20%-grens bedrijfsleiders | 7,5%-heffing + geen recht verlaagde vennootschapsbelasting | geen recht verlaagde vennootschapsbelasting |
| Geen overschrijding 20%-grens bedrijfsleiders | 7,5%-heffing | Geen fiscale penalisatie |
Wettelijke referentie: Wet van 15 juli 2026 tot hervorming van de personenbelasting (1), B.S. 29 juli 2026.



